Voordrachten in 2006

Door te klikken op de datum in onderstaande tabel wordt u naar de samenvatting van de betreffende lezing geleid.
Indien beschikbaar, vindt u daar ook een hyperlink naar de presentatie zelf.

....Datum....OnderwerpSpreker
12-01-06 Donkere energie. Meester van de Kosmos Rien van de Weygaert
09-02-06 Water in het heelal Dieter Poelman
09-03-06 Witte dwergsterren in onze Melkweg Paul Groot
13-04-06 Exoplaneten Paul Wesselius
11-05-06 De zonsverduistering van 29 maart 2006 in Turkije Cor Klaver
14-09-06 Het universum op een harde schijf
Drs. Ritzerveld
12-10-06 De oorsprong van het leven Dr. J.G.D. Lambert
09-11-06 Het Heelal en de Algemene Relativiteitstheorie
Prof. Dr. E. v.d. Heuvel
14-12-06 Waarnemen van weer en wind (radars) Dr. I. Holleman

12-01-2006 Rien van de Weygaert, Kapteyn instituut, Universiteit Groningen
Donkere energie. Meester van de Kosmos

In een instantane explosie 13,7 miljard jaar geleden werd het heelal geboren. Ruimte en tijd werden gecreëerd, een zinderend hete en dichte zee van straling en materie begon aan een duizelingwekkende snelle uitdijing. Het huidige koele en ijle heelal is het product van de daaropvolgende evolutie waarin de primordiale soep gestadig afkoelde. In willekeurig welke richting blijkt de (huidige) temperatuur van de kosmische achtergrondstraling 2.725 K te zijn, de afwijkingen hiervan zijn geringer dan 1 op 100.000.

In 1998 veranderde spoorslags ons idee over het heelal. Supernovae, ontploffende massieve sterren, in het verre universum leken er op te wijzen dat de kosmische expansie niet geleidelijk aan afneemt maar juist toeneemt. Het heelal dijt uit in versnelde mate. Een duistere 'donkere' energie met een afstotende gravitationale werking domineert de dynamica en het lot van onze wereld ...

In de jaren daarna slaagden kosmologen er in het heelal zeer nauwkeurig op te meten. Maart 2003 vormde eenmijlpaal. De Amerikaans WMAP-satelliet was er in geslaagd met ongekende gevoeligheid en nauwkeurigheid het embryonale heelal in kaart te brengen. In iedere richting aan  de hemel was de temperatuur van onze kosmos gemeten die heerste op het moment dat het nauwelijks 379.000 jaar oud was, zo'n 13,4 miljard geleden. Het vertegenwoordigde de climax in een indrukwekkende ontdekkingsreis die nauwelijks 100 jaar geleden door Einstein was aangevangen. WMAP bevestigde op overtuigende wijze de juistheid van de Hot Big Bang theorie en voorzag deze ook van nauwkeurig gemeten waarden voor zijn leeftijd, samenstelling en vorm.

Daarbij bleek dat het heelal niet alleen versneld uitdijt maar dat het ook perfect vlak is. Dit impliceert dat maar liefst 70\% van de energie-inhoud van het heelal bestaat uit 'donkere' energie, waarvan de aard onbekend is en door geen enkele fundamentele fysische theorie is begrepen: het wijst op onvermoede nieuwe fysica. Daarnaast blijkt dat slechts 4% van de energie van het heelal bestaat uit baryonische materie, het materiaal waar wij zelf uit zijn gemaakt. De rest is donkere materie, de aard waarvan ook nog niet is vastgesteld. We lijken dus het heelal tot indrukwekkende precisie te hebben opgemeten maar tot de verbazingwekkende conclusie te zijn gekomen dat we niet begrijpen wat het precies is waar het uit bestaat...

09-02-2006 Dieter Poelman, Kapteyn Instituut Universiteit Groningen
Water in het heelal

Het bestuderen van water is van groot belang in de sterrenkunde. Niet alleen speelt water een grote rol in het leven op aarde, maar ook in allerlei processen in het heelal, waaronder stervorming. In mijn praatje doorloop ik van kleine (zonnestelsel) tot grote schaal (heelal) waar water voorkomt. Hoe water te observeren en wat er van te leren wordt besproken. In het laatste deel bespreek ik dan nog of er nog leven elders is, en aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om leven te verkrijgen. Water op Mars?

09-03-2006 Paul Groot, Radboud Universiteit
Witte dwergsterren in onze Melkweg


Witte dwergen zijn de overblijfselen van sterren zoals onze Zon, nadat al het beschikbare fusiemateriaal is opgebrand. Witte dwergen kunnen slechts bestaan door een quantummechanisch effect, degeneratie, dat voorkomt dat materie willekeurig dicht op elkaar gepakt kan worden. In deze lezing zal ik een overzicht geven van het leven van sterren zoals onze Zon en hoe witte dwergen gevormd worden, waarom deze systemen interessant zijn voor het begrijpen van ons Heelal en wat voor soort onderzoek we in Nijmegen hieraan doen. Zonder een beter begrip van witte dwergen, en dan met name in dubbelster systemen, zullen fenomenen als supernovae type Ia en de hoeveelheid gravitatiestraling in onze Melkweg niet begrepen blijven.

13-04-2006 Paul Wesselius, SRON Groningen.
Exoplaneten
Download presentatie (skydrive, PowerPoint 7.4 MB)

Deze lezing heb ik al vier keer gegeven. Ik heb de gewoonte om vlak van te voren een weekje te reserveren om de nieuwste stand van zaken vast te stellen en ik pas mijn lezing dan meestal aan. Globaal zal ik het volgende beschrijven: Overzicht metingen aan exoplaneten en conclusies die vrij direct uit de metingen getrokken kunnen worden.Vroegere en recente theorieen over planeetvorming. Detectie Leven op planeten zonnestelsel en exoplaneten. Geplande space missies om leven op exoplaneten te detecteren. Over elk van deze onderwerpen is een uur te vullen. Dat zou te veel worden. Ik leg de nadruk op dat hoofdstuk waarin de meeste vorderingen zijn geweest in 2005.

11-05-2006 Algemene Ledenvergadering

Na de pauze:
Cor Klaver
De zonsverduistering van 29 maart 2006 in Turkije


Deze totale zonsverduistering trok zijn schaduwspoor ditmaal onder meer over een bekend toeristisch gebied: de Turkse riviera, met als middelpunt het plaatsje Side. Ik zal iets vertellen over de omgeving, maar natuurlijk vooral over de omstandigheden
van de verduistering zelf. De duur, het schaduwpad,de bijkomende effecten, de weersomstandigheden enz.Voor wie een totale zonsverduistering nog nooit heeft meegemaakt, is het een onvergetelijke ervaring waaraan geen internetvoorstelling of andere publicatie tippen kan. Afgesloten wordt met een beeld van toekomstige verduisteringen.

14-09-2006 De ontwikkeling van het Universum
Drs. Ritzerveld
Het universum op een harde schijf

Een chronologische greep snapshots uit het leven van het universum. De ontwikkeling in ons begrijpen van de fundamentele werking van de natuur gaat reeds eeuwen met grote schreden, en we krijgen een sterk vermoeden hoe het binnen in zo'n atoomkern werkt, ook al bevindt die zich aan de rand van het heelal. Deze vermoedens zijn gevangen in een set bijzonder fraaie formules, die in principe zouden kunnen voorspellen hoe de wereld om ons heen er uit ziet. Helaas is het zo, dat slechts in een enkel simpel geval deze formules een exacte oplossing geven. En die is meestal ook nog niet eens zo interessant. Willen we daadwerkelijk weten hoe via een realistisch proces een object tot stand komt (hoe vormden de eerste sterren zich, wanneer en hoe ontstond het eerste licht, hoe en wanneer ontstond de aarde, wanneer klapt het heelal in elkaar, e.d.), dan zullen we ons moeten wenden tot methodes die uitgevoerd kunnen worden op (een set van) computers, die ons hopelijk een natuurgetrouwe benadering van de werkelijkheid kunnen geven. Met de ontwikkeling van steeds snellere computers worden de resultaten steeds realistischer.
Rijksuniversiteit Leiden

12-10-2006 De oorsprong van het leven
Dr. J.G.D. Lambert

De presentatie is verdeeld in twee delen:

Wanneer ontstond het leven?
Hoe ontstond het leven?

Voor de pauze zal vanuit twee benaderingen geanalyseerd worden wanneer het leven begonnen kan zijn.
Allereerst vanuit de ontstaanswijze van de aarde. De belangrijkste voorwaarde van leven is namelijk de
aanwezigheid van water en een "rustig" oppervlak.
De tweede benadering is vanuit de fossiele vondsten en andere aanwijzingen van leven (vergelijkbaar met het
onderzoek op de planeet Mars).

Na de pauze zullen enkele theorieën behandeld worden over de mogelijke vormingswijze van leven.
Komt het leven uit de ruimte? Er zijn meteorieten gevonden afkomstig van Mars met structuren die veel op bacteriën lijken.
Zijn de eerste "levensmoleculen" ontstaan in de primitieve atmosfeer onder invloed van elektrische energie?
In de vijftiger jaren van de vorige eeuw zijn de eerste laboratoriumexperimenten verricht, waarbij uit eenvoudige gassen, blootgesteld aan elektrische energie, de bouwstenen van eiwitten konden worden gevormd.
Wat is de rol van de "oersoep"? Hoe konden in een grote oceaan de aminozuren zich koppelen tot eiwitten?
Spelen de recent ontdekte "black smokers" op de mid-oceanische rug een primaire rol bij het ontstaan van het leven?
Diep in de oceaan, buiten het bereik van licht, is een wonderlijk leven ontdekt. Dieren die leven van bacteriën, die op hun beurt van gassen en materialen leven, die voortkomen uit de aardmantel.
Dr. Lambert is gepensioneerd bioloog en heeft zich gespecialiseerd in paleontologie.

09-11-2006 Het Heelal en de Algemene Relativiteitstheorie
Prof. Dr. E. v.d. Heuvel

Download presentatie (skydrive, PowerPoint 31.3 MB)

Scheidend hoogleraar astronomie Ed van den Heuvel, Een gedrevene uit sterrenstof, kan eindelijk zijn klassieke boek herschrijven.
Zijn portret figureerde in een reclamecampagne van de Universiteit van Amsterdam, met ernaast de slogan 'Wij zijn sterrenstof'. Afgelopen donderdag, een dag na zijn vijfenzestigste verjaardag, gaf astronomiehoogleraar Ed van den Heuvel zijn afscheidscollege. Eindelijk tijd voor dat boek.
Expert op het gebied van de evolutie van dubbelsterren, begenadigd docent, groot bestuurder en succesvolle regelneef - prof. Edward P.J. van den Heuvel van de Universiteit van Amsterdam heeft in binnen- en buitenland zijn sporen in de sterrenkunde verdiend. Grote, beweeglijke handen, het voortdurend knikkende hoofd met de benige neus en de alles relativerende lach scheef op de romp, een haast permanent verontschuldigende blik in de ogen - op zijn 65e verjaardag heeft hij nog steeds iets van de verlegen, enigszins onhandige jongen die op die verkleurde middelbare-schoolfoto staat. Een bijzondere verzameling sterrenstof.
Hoe zit dat met dat sterrenstof?
De atomen in ons lichaam hebben hun oorsprong in het inwendige van andere sterren. Ik noemde dat een keer in een dies-lezing, en dat sprak enorm aan. Joni Mitchell zong het in 1969 al op het Woodstockfestival - we are stardust - maar ik weet niet of ze op de hoogte was van de feitelijke juistheid van die zin. Maar wij zijn inderdaad één met het heelal: we bestaan uit dezelfde bouwstenen, en we gehoorzamen aan dezelfde wetten.
Zegt dat iets over het bestaan van buitenaards leven?
Ach, het SETI-programma waarmee gezocht wordt naar buitenaardse intelligentie is best leuk, maar volgens mij is het heel goed mogelijk dat we de enige beschaving in het Melkwegstelsel zijn. De natuur is nu eenmaal erg verspillend, en ons bestaan hangt van heel veel toevallige factoren af. We zijn dus misschien veel zeldzamer dan gedacht. Die kleinheid van de mens in de kosmos heb ik overigens nooit beangstigend gevonden.
Het onderwerp spreekt in ieder geval tot de verbeelding.
Popularisering van de astronomie vind ik dan ook heel belangrijk. Marcel Minnaert, bij wie ik in Utrecht studeerde, deed daar al veel aan, en alle sterrenkundefaculteiten besteden er gelukkig wel aandacht aan. Toch heb ik het gevoel dat er door sommige astronomen met dédain op neergekeken wordt. Chriet Titulaer, die ooit student van me is geweest, is op een astronomenconferentie een keer bijna uitgejouwd - volkomen onterecht.
Heeft u de belangstelling voor het vak van huis uit meegekregen?
Nee, mijn ouders hadden alleen lagere school; mijn vader had een kleine bloemenkwekerij en reisde zes dagen per week met de trein door Nederland. Wel hadden ze een brede belangstelling en lieten ze me overal in vrij. Maar op de HBS in Amersfoort wisselde ik met mijn boezemvriendjes Ben Beekman en Frits Wiegel populaire sterrenkundeboekjes uit, onder andere van George Gamow. Wij waren eigenlijk kleine nerdjes. We kregen ook natuurkundeles van Cees Zwaan, die later hoogleraar sterrenkunde werd in Utrecht, en kosmografie van mevrouw Van Rijckevorsel, die bij Minnaert had gestudeerd. Zo ontstond het idee om daarin door te gaan, al had ik geen enkel benul van de universiteit.
Van meet af aan gevallen voor de wetenschap?
O nee, ik had geen enkel idee om in het onderzoek door te gaan. Iedereen zei dat je in de sterrenkunde toch nooit werk kon vinden, dus ik had besloten leraar wis- en natuurkunde te worden. Maar in de zomer van 1962, een halfjaar voor mijn doctoraalexamen, bood de Utrechtse astronoom Kees de Jager me een baantje aan als assistent aan de Vrije Universiteit in Brussel, waar hij één dag per week buitengewoon hoogleraar was. Daarna had hij een promotieplaats voor me in Utrecht - hij wilde graag dat ik onderzoek ging doen aan de zonnewind.
Maar uw proefschrift uit 1968 ging over de rotatie van sterren.
Ja, al die plasma-astrofysica en magnetohydrodynamica... heel belangrijk en interessant, maar ik vond het veel te theoretisch. Ik had al die formules in m'n hoofd maar ik kon er weinig mee. Toen heb ik wel gedacht: ik ben echt niks waard; ik kan helemaal niks. Maar mijn literatuuronderzoek aan opmerkelijk traag roterende sterren had een veel directere relatie met sterrenkundige waarnemingen. In 1967 gaf ik er in Parijs een presentatie over op de driejaarlijkse algemene bijeenkomst van de Internationale Astronomische Unie. Ik had zelfs een theorie om de trage rotatie te verklaren, via dubbelster-evolutie. Die bleek later helemaal fout te zijn, maar een goede verklaring is er nog steeds niet.
De evolutie van dubbelsterren kwam ook goed uit de verf in het boek dat u samen met De Jager schreef.
Kees had in 1955 al een boek geschreven met als titel 'Ontstaan en levensloop van sterren en planeten'. Ik heb hem geholpen met een ingrijpende herziening. De planeten hebben we weggelaten, en in 1973 verscheen 'Ontstaan en levensloop van sterren', waarin de nieuwste inzichten waren verwerkt. Het is trouwens de hoogste tijd voor een nieuwe revisie; daar hoop ik binnenkort eindelijk aan toe te komen, net als aan een boek over de geschiedenis van het heelal.
Amsterdam heeft nu een wereldnaam op het gebied van de hoge-energieastrofysica.
Ja, met compacte neutronensterren en rondtollende pulsars. Toen ik hier in 1974 begon, gebeurde er vrijwel niets op dat terrein. Maar rond die tijd werden de eerste röntgendubbelsterren ontdekt. Samen met Jan van Paradijs - misschien wel de beste promovendus die er in Amsterdam ooit is geweest - werkte ik aan een verklaring. Mijn evolutieberekeningen aan dubbelsterren kwamen daarbij goed van pas - die konden we direct toepassen. Daarna was het natuurlijk vooral zaak om die interesse en die voorsprong vast te houden.
Wat wel moeilijk zal zijn geweest met uw vele bestuurlijke verplichtingen.
Daar gaat helaas veel tijd in zitten, maar ja, je wilt wel dat het goed blijft gaan met het vak. Tot mijn grote verbazing bleek dat ik er nog goed in was ook - dat had ik van mezelf nooit gedacht. Contacten in de politiek zijn dan heel handig, maar je moet het uiteindelijk toch allemaal zelf doen, net zoals mijn pa er ook voortdurend op uit moest om elke dag zijn boterham te verdienen. Het is wel fantastisch om te zien hoe je inspanningen eraan bijdragen dat de Nederlandse sterrenkunde goed op de kaart staat.
Trok het buitenland niet?
In 1993 kreeg ik een aanbod om directeur te worden van het Max Planck-instituut voor Astrofysica in Garching. Daar had ik zeker tien eigen mensen mee naar toe kunnen nemen. Dat heb ik wel serieus overwogen, maar het college van bestuur van de UvA zegde een ingrijpende versterking van het sterrenkundig instituut voor als ik niet zou gaan. Daar heb ik nooit spijt van gehad; twee jaar later was ik een van de winnaars van de Spinozapremie.
Wat maakt iemand nu eigenlijk tot een succesvol sterrenkundige?
Moeilijk te zeggen. Het heeft in elk geval niet puur met intelligentie te maken. Sociale eigenschappen zijn belangrijk; het helpt als je goed kunt samenwerken met anderen, hoewel je in de exacte wetenschappen alle soorten karakters tegenkomt: wiskundigen als Nash en Gödel waren gestoord; fysicus Wolfgang Pauli was sociaal totaal onaangepast, en sterrenkundigen als Zwicky en Hubble waren buitengewoon arrogant. Misschien draait het uiteindelijk wel allemaal om enthousiasme, passie en gedrevenheid. Emotie is ontzettend belangrijk.
Wat ziet u nu als de belangrijkste nieuwe inzichten van de afgelopen decennia?
O, er is zo enorm veel belangwekkends ontdekt. In de jaren zestig natuurlijk de quasars en de kosmische achtergrondstraling; iets later de bevestiging van het bestaan van neutronensterren, wat een enorme boost gaf aan theorieën over zwarte gaten. In de jaren zeventig en tachtig waren het zwaartekrachtlenzen en donkere materie; tien jaar geleden het bestaan van planeten bij andere sterren... Vooral in de kosmologie is er heel veel gebeurd: hoewel er nog grote onopgeloste problemen zijn, zit het standaardmodel over oorsprong en evolutie van het heelal behoorlijk stevig in elkaar.
Veel vrije tijd de komende jaren?
Ik ga natuurlijk gewoon met mijn werk door. Begin volgend jaar twee maanden in Santa Barbara, en in 2007 ook weer vijf maanden. Tussendoor ben ik best bereid om nog colleges te geven, dat heb ik altijd met veel plezier gedaan. Verder hoop ik eindelijk toe te komen aan een nieuwe editie van 'Ontstaan en levensloop van sterren'. En dichter bij huis boeit het zoeken naar de oorsprong me ook. Ik heb een bescheiden collectie van voornamelijk zelf gevonden gereedschappen uit de steentijd - met die hobby wil ik eigenlijk ook meer doen.

Ed van den Heuvel

1940 Geboren in Soest
1957-1963 Studie wis-, natuur- en sterrenkunde in Utrecht
1963-1968 Promotieonderzoek bij Kees de Jager en Anne Underhill in Utrecht
1968 Promotie, 'A study of stellar rotation'
1968-1969 Postdocbaan op de Lick-sterrenwacht in Californië
1969-1973 Universitair hoofddocent, Universiteit Utrecht
1970-1980 Parttime hoogleraar astrofysica, Vrije Universiteit Brussel
1974 Hoogleraar sterrenkunde, Universiteit van Amsterdam; later directeur sterrenkundig instituut 'Anton Pannekoek'
1982 Drijvende kracht achter de oprichting van het Zeiss Planetarium Amsterdam, de voorloper van het huidige Artis Planetarium
1986 Directeur CHEAF (Centrum voor Hoge-Energie AstroFysica)
1987 Physica-prijs (Nederlandse Natuurkundige Vereniging)
1987 Planetoïde 3091 wordt 'van den Heuvel' genoemd
1995 Spinozapremie (NWO)
1996 Bestuursvoorzitter stichting ASTRON
2002 Descartesprijs (Europese Commissie)

14-12-2006 Waarnemen van weer en wind (radars)
Dr. I. Holleman

Het KNMI heeft twee operationele Doppler radars, één in De Bilt en één in Den Helder, die worden gebruikt voor het meten van neerslag boven Nederland en omstreken. Deze radars zijn van vitaal belang voor het KNMI (en zijn afnemers) en worden gebruikt voor het bewaken van het weer, als verificatie van weermodellen en andere waarnemingen, en als invoer voor modellen. Daarnaast worden deze waarnemingen ook uitgewisseld in een Europees samenwerkingsverband.
De C-band Doppler radars zenden en ontvangen radiostraling met een frequentie van ongeveer 6 GHz (golflengte van 5 cm). De Doppler radars kunnen op twee manieren gebruikt worden, namelijk als conventionele radar waarbij de intensiteit van de terugkomende, verstrooide radiofrequente straling wordt gemeten en als echte Doppler radar waarbij de snelheidsverdeling van de deeltjes, waaraan de radiogolven verstrooid zijn, gemeten wordt.
In de presentatie zullen verschillende aspecten van het onderzoek aan de wecrradars en het gebruik van radar-produkten op het KNMI worden toe
gelicht. Onder andere zullen de resultaten worden besproken van uitgebreid onderzoek naar de kwaliteit van de windgegevens uit de Doppler radars. Het gaat hierbij onder andere om het vergroten van het eenduidige snel-heidsbereik van de radars (Hoe kunnen we windkracht 12 waarnemen?), de representativiteit van de radarwaarnemingen (Is het echt de windsnelheid die we waarnemen?), en de kwaliteit en bruikbaarheid van de afgeleide produkten (Kloppen de waargenomen windsnelheid en richting?). KNMI De Bil!
Iwan Holleman en Hans Beekman hebben voor dit onderzoek in maan 2005 de Vaisala Award van de World Meteorological Organisation gekregen.